Columns
Columns uit het dagelijks leven van de comedians van Hart voor Humor — observaties, situaties en losse gedachten van buiten het podium.
Goudrenetten en de Koran
Pieter belandt in een gespannen stand-off en probeert rustig te blijven, terwijl hij alleen maar denkt: wat gebeurt hier in godsnaam? Niet wetend dat de situatie alleen maar gekker wordt ...
Er was een Poolse man op de afdeling die ik kende van drie jaar geleden. Toen was hij er nog een stuk beter aan toe en voerde ik gesprekken met hem over de Bhagavad Gita, een soort Indiase bijbel. Nu was er helaas nog meer drugs zijn neus ingevlogen en had hij niet alleen last van schizofrenie, maar ook van een soort neurologische aandoening. Hij was nog maar een schim van wie hij ooit was.
In de woonkamer hoorde ik een verhitte discussie ontstaan: “Dus jij gelooft dit? Nou, dat geloof ik niet. Ik wil alleen met mensen omgaan die zus of zo geloven.” Mijn collega vroeg me even poolshoogte te nemen, extra grappige woordkeuze in deze context. De lange Poolse man stond tegenover een gemillimeterde Marokkaanse jongen die er, puur op basis van zijn kapsel en doorleefde uiterlijk, uitzag als een soort neonazi of skinhead.
Ik ging tussen beiden staan en vroeg waar het over ging. De Poolse man vertrok vrij snel naar zijn kamer. De Marokkaanse jongen haalde een kleine pocket-Koran tevoorschijn en begon daaruit een vers te citeren. Ik ging daar helemaal in mee, deels om de spanning te klaren, maar ook uit oprechte interesse en om menselijk contact te maken.
Op dat moment komt de Poolse man terug. Hij heeft óók iets in zijn handen wat hij graag wil voordragen. Alleen is dit object nogal groot: bijna een meter hoog en een halve meter breed. Met mijn vinger voor mijn mond gebaar ik hem even niet te onderbreken. Ik zat net lekker in mijn Koranles.
De Marokkaanse jongen is klaar met zijn voordracht. Ik vertel hem dat ik het boekje ook wil aanschaffen, omdat ik Arabisch een mooie taal vind en die graag wil leren. Ik bestel het direct online.
De Poolse man staat daar nog steeds met zijn bord. Ik noem zijn naam en vraag hem te laten zien wat erop staat. Ik zie een gigantisch bord met het recept voor appeltaart: roomboter, goudrenetten, citroensap, ei, et cetera. Van binnen schiet ik in de lach en vraag ik me af waar de camera’s hangen. Zoiets verzin je toch niet? Als je dit in een boek zou lezen, zou je denken dat het verzonnen was.
Het liet mij achter met veel vragen. Hoe kwam deze man aan dat bord? Wie heeft er bij de controle van zijn spullen in godsnaam over dit gigantische object heen gekeken? Alsof de instelling een soort douane is die weet dat er cocaïne tussen de bananen zit verstopt, maar klaagt dat het controleren van al die bananen geen doen is. Ik heb veel vreemde voorwerpen gezien — voodoopoppetjes, knoflook in water, messen — maar nog nooit een recept voor appeltaart op een bord van een halve vierkante meter.
Wat kunnen we leren van deze scène? Er zit een soort genialiteit in de psychiatrie die wij ‘gezonde mensen’ zijn verloren. Het lijkt mij heerlijk om iedere discussie op een absurdistische manier te beslechten. Niks klimaat, immigratie of oorlog: gewoon 200 gram roomboter en goudrenetten, en klaar.
Daar is simpelweg geen speld tussen te krijgen. Misschien krijg je het dan met vegans aan de stok, maar dat is weer een heel andere discussie. Die jaag ik dan wel weer weg met mijn pocket-Koran.